Groeiende techniciteit en noodzaak aan expertise zijn vaak doorslaggevende argumenten geweest om voor bepaalde overheidstaken specifieke instanties op te richten, of een zekere verzelfstandiging door te voeren. Terwijl voor het ontwikkelen of toepassen van beleid dergelijke organen vroeger vaak gewoonweg niet bestonden, of een louter adviserende rol speelden ten opzichte van de uitvoerende of de wetgevende macht, wordt vandaag de dag steeds meer beroep gedaan op sectorspecifieke al dan niet “onafhankelijke” toezichthouders met uitgebreide bevoegdheden. De afgelopen twee decennia heeft de sector van de elektronische communicatie op dat vlak ontegensprekelijk een voortrekkersrol gespeeld.
Nochtans worden de toezichthouders in de elektronische-communicatiesector gekenmerkt door twee intrinsiek juridische spanningsvelden.
Het eerste is eerder “constitutioneel” van aard en is het gevolg van het feit dat in de sectoren van de informatie- en communicatietechnologie een diepe convergentie heeft plaatsgevonden waarop ons Belgische bevoegdheidsverdelend regime niet of onvoldoende was voorbereid. Die tekortkoming heeft geleid tot de huidige situatie, waarin de verschillende toezichthouders niet over voldoende consistente bevoegdheden beschikken om hun toezicht nog efficiënt of effectief te kunnen uitoefenen. Zich hiervan kennelijk bewust, heeft het Grondwettelijk Hof sinds 2004 enkele zeer opmerkelijke arresten geveld, waarin de betrokken overheden tot samenwerking werden verplicht op grond van het evenredigheidsbeginsel. In recentere rechtspraak lijkt het Hof zich echter veel terughoudender op te stellen.
Een tweede spanningsveld waarin deze nieuwe markttoezichthoudende overheden zich bevinden is eerder “institutioneel” van aard. Als hooggespecialiseerde en goed uitgeruste instanties dienen zij over uitgebreide bevoegdheden te beschikken om hen in staat te stellen hun markttoezichthoudende rol efficiënt te vervullen. En om hun rol als scheidsrechter onpartijdig te kunnen spelen, moeten zij op een voldoende grote afstand functioneren van de operationele belangen van de overheid. Dit staat echter in schril contrast met de traditionele opvattingen over onze continentale Westerse parlementaire democratieën, waarin beleidsbevoegdheden niet zonder meer of rechtstreeks door de wetgever kunnen worden gedelegeerd of toegewezen aan “onafhankelijke” administratieve overheden.
Het her-ijken van de rollen en opdrachten van de verschillende betrokken spelers is dus vereist, om het statuut en de bevoegdheden van de markttoezichthoudende instanties beter te verzoenen met de grondwettelijke beginselen. Daartoe brengt dit proefschrift de huidige organisatie van de markten voor elektronische communicatie in ons land, het toezicht daarop en de rol van de daarbij betrokken overheidsinstanties in kaart, benadert het deze kritisch en formuleert het voorstellen tot verbetering.
Met deze grondige analyse van de elektronische-communicatiesector beoogt het proefschrift niet alleen elementen aan te reiken voor een toekomstgericht en juridisch correct model voor een efficiënte organisatie van het markttoezichthoudende optreden van de overheid in die sector, maar eveneens een concrete bijdrage leveren aan het onderzoek naar de juridische haalbaarheid van een echte “multi-level-government”-aanpak van overheidsoptreden en –toezicht in andere nuts- en netwerksectoren.
Uit het voorwoord door Herman Van Rompuy:
.... Het onderzoek van David Stevens biedt een uitvoerige, nauwkeurige en goed gedocumenteerde analyse van de steeds wijzigende rol van de overheid in de elektronische-communicatiesector.
Lees het volledige Woord voraf, klik hier
verkorte inhoudsopgave
Deel I. Wijzigende technologie, markten en overheid.
Deel II. Belgische en Europese elektronische-communicatiesector in perspectief.
Deel III. Organisatie van markttoezicht inzake elektronische communicatie.
Deel IV. Conclusies en aanbevelingen.
Raadpleeg de integrale inhoudstafel (pdf hieronder)
Integrale inhoudstafel