Sinds de eerste uitgave van Beschermde werknemers – Ondernemingsraad en Comité voor bescherming en preventie op het werk zijn tien jaar verstreken.
Hoewel de wet van 19 maart 1991 zelf nauwelijks wijzigingen onderging, stond haar evolutie niet stil. In de voorbije tien jaar zorgde de rechtspraak voor de verduidelijking en aanvulling van een aantal in de rechtsleer gesignaleerde onvolkomenheden.
De tweede, herwerkte versie neemt al deze rechtspraak op, evenals de sinds 2002 verschenen rechtsleer. De wijzigingen betreffen voornamelijk:
- de procedure voor de sociale verkiezingen
De sociale verkiezingen worden niet meer worden geregeld bij KB, maar bij wet. De nieuwe wetgeving wijzigde een aantal artikels en ook de nummering ervan.
- de voordracht van de kandidaten door de representatieve werknemersorganisaties
Naar aanleiding van de sociale verkiezingen van 2008, bevestigden het Grondwettelijk Hof en de arbeidsgerechten het voordrachtrecht van de representatieve werknemersorganisaties en de ongeldigheid van individuele kandidaturen.
- de kandidatuur die niet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoet
Het Hof van Cassatie besliste in 2011 dat de geldigheid van de kandidatuur - en derhalve van de bescherming - niet meer in vraag kan worden gesteld na de sociale verkiezingen. De sociale verkiezingswetgeving bevat immers termijnen waarbinnen zulke betwistingen moeten gebeuren.
- de van rechtswege verkozen kandidaat
Volgens een arrest van het Hof van Cassatie uit 2011 moet de kandidaat die van rechtswege verkozen is, beschouwd worden als een niet-verkozen kandidaat voor de bescherming. De wetgever wijzigde het betrokken artikel 78 echter, zodat het nu ondubbelzinnig bepaalt dat de van rechtswege verkozen kandidaat de bescherming van een personeelsafgevaardigde geniet.
- de bescherming van de vakbondsafgevaardigde, belast met de taken van het CPBW
Het Hof van Cassatie verduidelijkte in 2003 dat de bescherming aanvangt op het ogenblik waarop de vakbondsafgevaardigde wordt aangesteld, en niet wanneer hij de taken van het CPBW effectief begint uit te voeren. Omdat de plaatsvervangende vakbondsafgevaardigde in principe geen deel uitmaakt van de vakbondsafvaardiging (tenzij dit bij cao zou zijn bepaald), kan hij slechts op bescherming aanspraak maken zolang hij een effectieve vakbondsafgevaardigde vervangt.
- het verlies of de afstand van mandaat
Het Grondwettelijk Hof oordeelde in 2002 dat de afgevaardigde die zijn mandaat verliest, zijn bescherming als kandidaat behoudt. In 2006 stelde het Hof dat het behoud van de bescherming als kandidaat ook geldt voor de afgevaardigde die afstand doet van zijn mandaat.
- de afstand van beschermingsvergoeding
In 2011 erkende het Hof van Cassatie dat, hoewel de bescherming van openbare orde is, de ontslagen afgevaardigde of kandidaat rechtsgeldig afstand kan doen van de beschermingsvergoeding.
- het brugpensioen van afgevaardigden en kandidaten
De wet van 19 maart 1991 voorziet niet in een uitzondering op het ontslagverbod bij brugpensioen, terwijl de cao nr. 17 een ontslag vereist. In de rechtsleer en rechtspraak werden pistes uitgewerkt om de wet van 19 maart 1991 en de cao nr. 17 te verzoenen: de erkenning als economische of technische reden door het paritair comité, de afstand van beschermingsvergoeding en de vaststelling van rechtsmisbruik in hoofde van de ontslagen afgevaardigde of kandidaat die om een brugpensioenregeling verzocht.
- de interpretatie van de “eerste kandidatuur”
De wet van 19 maart 1991 maakt alleen een onderscheid tussen de “eerste kandidatuur” en de “volgende kandidaturen”. Strikt gezien zal de kandidatuur van een afgevaardigde bij een volgende verkiezing niet wordt herkozen, geen eerste kandidatuur uitmaken. Het Hof van Cassatie verduidelijkte in 2008 evenwel dat met “eerste kandidatuur” wordt bedoeld, de “eerste kandidatuur die niet tot verkiezing leidde”, zodat deze werknemer moet worden beschouwd als voor de eerste keer niet verkozen en dus 4 jaar beschermd.
- de interpretatie van “bij de volgende verkiezingen”
In 2007 oordeelde het Hof van Cassatie dat de omschrijving “zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de volgende verkiezingen” niet inhoudt dat de niet-succesvolle verkiezingen opeenvolgend moeten zijn. Ook als de niet-succesvolle kandidaturen worden onderbroken door een niet-deelname, gaat het om volgende kandidaturen, met derhalve een kortere beschermingsperiode.
- het einde van de bescherming op de leeftijd van 65 jaar
Het Grondwettelijk Hof stelde in 2011 dat de stopzetting van de bescherming op de leeftijd van 65 jaar geen discriminatie uitmaakt. Deze leeftijd is immers gekoppeld aan de leeftijd waarop de werknemer niet meer verkiesbaar is en aan de wettelijke pensioenleeftijd. In hetzelfde jaar had het Grondwettelijk hof al beslist dat de ontslagbescherming tot 65 jaar verantwoord was, ook voor piloten die meestal vroeger op pensioen worden gesteld.
- de overmacht als toegelaten beëindigingswijze
Overmacht is een door de wet van 19 maart 1991 toegelaten beëindigingswijze. Als de werkgever onterecht overmacht inroept, maar de werknemer zich niet beroept op de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, blijft de arbeidsovereenkomst in beginsel bestaan. Zo oordeelde het Hof van Cassatie in 2008.
- de erkenning van de economische en technische redenen bij faillissement
Sinds 2005 bevat de Faillissementswetgeving een bepaling die de curator ervan vrijstelt de erkenning van het paritair comité te vragen bij faillissement. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie behoudt de werknemer wel het recht tegen zijn ontslag op te komen wanneer de curator discriminerend zou zijn opgetreden. Als de werknemer discriminatie inroept, kan hij zich echter niet beroepen op de omkering van bewijslast die geldt ten aanzien van curator. Het Hof van Cassatie stelde in 2011 dat de betrokken bepaling niet van toepassing is op de curator.
- de beschermingsvergoeding bij tegenopzegging
Wanneer de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt tijdens de beschermde periode, is hij de beschermingsvergoeding verschuldigd. Volgens een arrest van het Hof van Cassatie uit 2009 kan de werknemer echter geen aanspraak maken als hij zelf een tegenopzegging geeft, vermits dat een door de wet van 19 maart 1991 toegelaten beëindigingswijze is.
- de cumul tussen beschermingsvergoeding en werkzekerheidsvergoeding
Het Hof van Cassatie besliste in 2012 dat het cumuleren van de beschermingsvergoeding met een werkzekerheidsvergoeding mogelijk is.
- de herziening van de EOR-richtlijn
De cao nr. 101 zet de nieuwe richtlijn2009/38/EG om in Belgisch recht. Daardoor moeten de verwijzingen worden aangepast, maar inhoudelijk verandert er niet veel.
- de duur van de bescherming bij cumul van een mandaat in een OR of CPBW en een EOR
Het arbeidshof van Brussel meende in 2007 dat, wanneer een afgevaardigde een mandaat heeft in een Belgische OR én in een EOR, de langstlopende beschermingsperiode in acht moet worden genomen. In 2009 besliste het arbeidshof van Antwerpen dat, wanneer de afgevaardigde niet langer lid is van een Belgische OR, hij zijn bescherming behoudt als lid van de EOR. Tegen het laatste arrest werd een cassatieberoep ingesteld.