Dat aandeelhouders afspraken maken m.b.t. de overdraagbaarheid van hun aandelen en de uitoefening van hun stemrecht binnen de vennootschap is van alle tijden. Een antwoord op de vraag of dergelijke afspraken überhaupt mogelijk zijn en aan welke voorwaarden zij in voorkomend geval moeten voldoen, was lange tijd enkel in rechtspraak en (voornamelijk) rechtsleer te vinden. Het is pas met de wet van 18 juli 1991 dat de wetgever voor het eerst op dit vlak is tussengekomen.
Alhoewel de intentie van de wetgever in 1991 ongetwijfeld goed is geweest, werd zijn tussenkomst zowel in de rechtsleer als in de praktijk vrij negatief onthaald. De wetgever is niet doof gebleven voor deze kritiek en de reparatiewet van 13 april 1995 heeft de bewuste bepalingen verder op punt gezet. Ervan uitgaan dat hiermee elke vorm van discussie of kritiek van de baan is, zou echter van weinig realiteitszin getuigen.
Dit boek analyseert vooreerst op zeer grondige wijze artikel 510 W. Venn. dat het basisartikel vormt voor overdrachtsbeperkende afspraken in de nv. De in de praktijk meest courante clausules clausules inzake de overdraagbaarheid van aandelen in (niet-publieke) naamloze vennootschappen worden daarbij op vrij uitvoerige wijze behandeld, met een kritisch oog voor niet enkel het juridische kader, maar ook voor de noden van de praktijk.
Vervolgens gaat de auteur in op de voorschriften van artikel 551 W. Venn. dat het afsluiten van stemovereenkomsten binnen de nv beheerst,.
Tot slot staat de auteur ook nog kort even stil bij een aantal andere gebruikelijke andere aandeelhoudersafspraken, buiten de context van overdracht van aandelen die onder de gemeenschappelijke noemer ‘regulering van de machtsuitoefening binnen de vennootschap’ kunnen worden ondergebracht.
Telkens worden nuttige aandachtspunten meegegeven met het oog op de redactie van dergelijke clausules.