« De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.” Het is in deze bewoordingen dat de eerste paragraaf van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek het voorwerp van deze studie definieert, die deel uitmaakt van het bredere kader van de problematiek van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaat, bron van vele commentaren.
Elke pleiter wordt verondersteld te weten dat het principe van de verhaalbaarheid formeel werd vastgelegd in de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaat en het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 dat het tarief vastlegt van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in het artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en dat de datum van de inwerkingtreding vastlegt van artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen van de advocaat.
Sedertdien heeft de wetgever de gelegenheid gehad om zijn werkstuk enigszins te herzien, om op deze manier enkele leemten of onnauwkeurigheden die werden opgemerkt in de rechtspraak en de rechtsleer, op te vullen.
Op deze manier heeft de wet van 22 december 2008 artikel 1022, alinea 3 geherformuleerd , inzake de mogelijkheid voor de rechter om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te moduleren. Terwijl hij dit vroeger slechts kon doen op verzoek van een van de partijen, kan hij voortaan zelf ook de vergoeding verminderen of vermeerderen door de partijen op dit punt aan te spreken.
De wet van 21 februari 2010 van haar kant, waarin het bedrag en het lot van de rechtsplegingsvergoeding werd vastgelegd in geval van geschillen met meerdere partijen, heeft drie gevallen toegevoegd waarin de rechtsplegingsvergoeding werd vastgesteld op een minimum bedrag (verstek, gebrek aan betwisting en eis tot aanvraag en uitstel). Ze heeft tevens de gevallen waarin de rechtsplegingsvergoeding niet van toepassing is uitgebreid tot deze waarbij het openbaar ministerie handelt in burgerlijke zaken en ze heeft een einde gesteld aan de discriminatie die door het Grondwettelijk Hof aan de kaak wordt gesteld, waarbij de burgerlijk aansprakelijke in strafzaken geen rechtsplegingsvergoeding meer kon verkrijgen ten laste van de verliezende burgerlijke partij die rechtstreeks wordt aangesproken. Er moet worden opgemerkt dat het koninklijk besluit die de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving moet vastleggen tot op vandaag nog niet werd goedgekeurd.
Deze wijzigingen in de wet zijn een uitgelezen gelegenheid om de materie van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaat te herzien en om u, op onze beurt, een bijgewerkte en uitgebreid werkstuk voor te stellen van de eerste editie van dit werk dat verscheen in 2009.
De lezer zal de gebruikelijke indeling van de materie terugvinden volgens de rechtsbronnen (wetgeving, rechtspraak en rechtsleer) en een weergave van de teksten in beide talen. De huidige editie van dit werk bevat vooral nieuwe verwijzingen naar de doctrine en rechtspraak alsook een herwerkt plan waardoor de lezer de materie kan (her)ontdekken onder een nieuwe invalshoek.